gestalttherapy commentaar


Posted on mei 2nd, by MarkWildschut in gestalttherapie-commentaar, therapie. No Comments

Gestalttherapie: opwinding en groei in de menselijke persoonlijkheid

 

De titel:

Laten we eerst eens naar de titel kijken: het is geen fraaie, tot de verbeelding sprekende titel: Gestalttherapie, Opwinding en Groei in de Menselijke Persoonlijkheid. En dat allerminst fraaie geldt eigenlijk voor de hele tekst. Ondanks het feit dat Paul Goodman, die het theoretische gedeelte voor zijn rekening heeft genomen, een schrijver was die ook literatuur op zijn naam heeft staan, is het boek allesbehalve lekker en vlot leesbaar. Het is geen ‘mooi’ boek, met fraaie volzinnen. En voor een theoretische tekst mist men een rustige opbouw, een betoog, uitleg, afleidingen of bewijsvoeringen. De hele tekst komt over als een aaneenrijging van uitspraken, soms boute beweringen, (vast)stellingen, definities, posities. Bronnen worden soms genoemd maar slechts aanduidenderwijs, hier en daar tref je onuitgewerkte brokstukken aan van uiteenzettingen met de traditie, met name met Freud. Erg uitnodigend is het  niet. Je kunt je zelfs afvragen of al deze losse paragrafen en hoofdstukken samen wel een ‘tekst’ vormen, een weefsel, of dat het meer losse draden zijn, de ene iets meer uitgesponnen dan de andere, van een tekst en uiteindelijk een theorie in wording.

En toch straalt dit boek, voor wie daar oor voor heeft, onmiskenbaar kracht uit. Elke zin is er een, en al is die dan zelden mooi, hij spreekt wel, elk woord is belangrijk, is overdacht en kan niet zomaar door een ander worden vervangen. Bijna elke zin bevat een gedachte die te denken geeft. Bij bijna elke uitspraak kun je, ja moet je langer stilstaan om de betekenis ervan te doorgronden. De tekst is compact, zet als het ware in gecomprimeerde vorm de theorie van de gestalttherapie neer, zozeer dat de hele gestaltliteratuur nadien kan voortbouwen op de theoretische helft van dit ene boek, dus op de niet meer dan ongeveer 250 pagina’s die Paul Goodman op basis van gesprekken met Fritz Perls en zijn eigen psychologische bevindingen op papier heeft gezet. In die zin is dit een oertekst, die je zoals elke oertekst telkens opnieuw kunt lezen en waar je steeds iets nieuws in kunt vinden. Je kunt het de ‘Bijbel’ van de gestalttheorie noemen, die net als de Bijbel van de christenen vooral om een hermeneutische interpretatie en om commentaar vraagt. En dat is precies wat ik hier van plan ben te doen: ik wil de tekst zin voor zin lezen en van interpretatie en commentaar voorzien.

Om te beginnen dus de titel: Gestalttherapie, Opwinding en Groei in de Menselijke Persoonlijkheid:

 

Het woord Gestalt:

De naam van deze therapievorm – gestalttherapie – stelt ons meteen voor een raadsel. Taal en begrip hangen zo nauw met elkaar samen dat je een term die je niet kunt vertalen ook niet goed kunt begrijpen. En dat geldt dus ook voor het Duitse woord ‘Gestalt’, dat als een ‘Fremdkörper’ in het psychotherapeutisch jargon is opgenomen. Deze onvertaalbaarheid en tot op zekere hoogte onbegrijpelijkheid heeft de toegankelijkheid van deze therapievorm geen goed gedaan. Iedere gestaltherapeut kent wel de ervaring met zijn mond vol tanden te zitten als hij een nieuwsgierige cliënt moet uitleggen wat dat nu precies inhoudt: ‘gestalt’ c.q. ‘gestalttherapie’. Gelukkig zijn er bijna geen cliënten die dit echt willen weten, daar komen ze per slot van rekening niet voor, en zijn ze doorgaans tevreden met een enkele vage opmerking, om verder wel te merken hoe het in de praktijk toe gaat.

 

De Gestalt of gestalte als een figuur die afsteekt tegen een achtergrond:

Toch is ‘gestalte’ ook een normaal Nederlands woord, en de betekenis daarvan overlapt die van het Duitse Gestalt wel degelijk voor een groot gedeelte, zozeer dat er veel voor te zeggen valt gestalttherapie te vernederlandsen tot ‘gestaltetherapie’, zoals niemand minder dan wijlen professor F.J.J. Buytendijk heeft gedaan (vgl. diens Algemene theorie der menselijke houding en beweging, uitgeverij Het Spectrum 1964, p. 60 e.v.).

Een gestalte nu is allereerst een ‘figuur’ zoals die afsteekt tegen een achtergrond, zoals we bijvoorbeeld een ‘gestalte zien opdoemen’ of zeggen dat iets geleidelijk ‘gestalte krijgt’. Daarmee hebben we al een belangrijke betekenis van het woord Gestalt in de gestalttherapie te pakken: een figuur tegen een achtergrond, waarbij in de gestaltliteratuur de term Gestalt nu eens wordt gebruikt als aanduiding voor de figuur zelf, dan weer voor het geheel van figuur (voorgrond) én achtergrond. Die figuur kan van alles zijn, een gestalte is volgens Van Dale heel algemeen de ‘uiterlijke vorm waarin iets zich aan ons voordoet’. Het woord ‘vorm’ is daarbij ook een mogelijke vertaling van het Duitse ‘Gestalt’, alleen moeten we dan bij vorm niet meteen denken aan een inhoud, maar eerder aan de manier waarop we dit begrip bijvoorbeeld in de kunst gebruiken als we spreken van ‘vormgeving’ (Duits ‘gestalten’). De gestalttherapie is niet op zoek naar inhouden, net zo min als ze bij de mens op zoek is naar een ‘innerlijk’. Ze houdt zich, zou je kunnen zeggen, aan de ‘vorm’, aan het gegevene, aan het waarneembare, dat ze nauwgezet (fenomenologisch) probeert te beschrijven, niet alleen de figuur, maar de figuur mét zijn achtergrond.

Is dat dan wat we doen als we aan gestalttherapie doen? Ja, in zekere is dat precies wat we doen: blijven bij wat zich voordoet – de ‘gestalte’ zoals die zich aan ons voordoet – om die in al haar kracht of zwakte (resp. sterke en zwakke gestalten), haar afgerondheid of onafgerondheid (resp. affe en onaffe gestalten), in haar glans dan wel matheid, haar energie of het gebrek daaraan, haar schoonheid of lelijkheid, kortom in haar ‘aisthesis’ nauwgezet proberen te benoemen en te beschrijven. Met andere woorden precies dat waar de filosofie de naam ‘fenomenologie’ mee heeft verbonden. Gestalttherapie is eerst en vooral toegepaste fenomenologie. We komen daarop terug. Laten we nu nog iets langer bij het woord ‘Gestalt’ stilstaan.

Naast ‘vorm’ en ‘figuur’ duidt ‘gestalte’ net als het Duitse Gestalt ook specifiek op de menselijke gestalte of gedaante, op de ‘figuur’ in de zin van het personage. Deze toegespitste betekenis van gestalte is in zoverre ook binnen de gestalttherapie van belang, dat de lichamelijke gestalte van de cliënt, zoals die zich aan ons als therapeut voordoet, in zekere zin de primaire achtergrond vormt waartegen de figuren in de zin van waargenomen objecten en besproken thema’s opdoemen.

Behalve deze lexicale betekenissen geeft ook de etymologie van het woord Gestalt respectievelijk gestalte een aanwijzing voor waar het in de gestalttherapie om draait. George Lambrechts wijst erop dat het woord afkomstig is van de Indo-Germaanse woordwortel ‘stel’, die we in het Nederlands onder meer terugvinden in het woord ‘stellen’, dat weer het grondwoord is van ‘voorstellen’, ‘opstellen’, ‘instellen’ enz., dat zoiets als een ‘gestel’ oplevert in de zin van ‘samenstel’, een geheel van samenstellende delen. Al dit ‘stellen’ als basisvorm van menselijke praxis vindt in een oorspronkelijke zin plaats vanuit een ‘stal’ in de zin van een verblijfplaats voor mens en dier, die voor dit stellen een standpunt of oriëntatiepunt levert. ‘Als ik stelling neem,’ schrijft Georges Wollants in het tijdschrift Facultatief, nr. 27, 1999, ‘dan duidt dat op het standpunt of de standplaats die ik inneem ten opzichte van mijn wereld. Mijn instelling of mijn ingesteld zijn wijst op de plaats die ik ten aanzien van mijn wereld inneem en de wijze waarop ik sta als ik naar de wereld kijk. “Hoe is het met jou gesteld?” vraagt ernaar hoe iemand in zijn leefwereld staat.’[1][2]Als we aan gestalttherapie doen, vragen we daarnaar, zoeken we en kijken we samen met onze cliënt hoe het met hem of haar is ‘gesteld’, hoe het er met hem voor staat, wie of wat er achter hem staat enz., om van daaruit eventueel tot her-stel te komen.

 

De gestalt als een geïntegreerd geheel van delen:

In gestalttherapieboeken wordt het woord Gestalt vaak omschreven als een gestructureerd of geïntegreerd geheel van delen. Deze nadruk op het geheel, dat meer is dan de optelsom van de samenstellende delen, kunnen we in het woord gestalte als een figuur die zich aftekent tegen een achtergrond niet meteen terugvinden, of het moet in het voorvoegsel ‘ge-‘ zijn, dat waar het vóór staat schaart onder een groter geheel, zoals een gebergte het samenstel is van de afzonderlijke bergen. Deze nadruk op het geheel dat meer is dan de som der delen stamt uit de gestaltpsychologie. Dit was allereerst een waarnemingspsychologie, die zich afzette tegen de overheersende associatiepsychologie, die het waargenomene als het ware probeerde op te bouwen vanuit basiselementen. In de concrete bestudering van de waarneming komen de gestaltpsychologen erachter dat de waarneming het waargenomene primair structureert met het oog op een geheel, dus dat in de waarneming van ons gezichtsveld niet de elementen zich opdringen, maar het geheel, dat het geheel voorrang heeft op de delen. Denk aan de bekende gestaltbeelden van bijvoorbeeld een reeks losse punten in een rondje waarin we meteen een cirkel zien. De implicatie van deze voorrang van het geheel boven de delen is enorm en nog lang niet tot in zijn finesses doordacht en in de wetenschap doorgedrongen. In de ogen van de gestaltpsychologen moest dit inzicht dan ook tot niet minder dan een revolutie leiden in de traditionele overheersende denkwijze, die ze een ‘mechanische denkwijze’ noemden. Zo schreef Max Wertheimer in 1925: ‘Lange tijd leek het vanzelfsprekend en is het voor de Europese kennistheorie en wetenschap kenmerkend geweest dat wetenschap eigenlijk alleen op de volgende manier beoefend kon worden (waarbij het “levende van de zaak verloren ging”)… De basisvooronderstelling leek dat men terugging naar de elementen, naar de samenstellende stukken, naar stuksgewijze afzonderlijke betrekkingen en wetmatige relaties tussen zulke afzonderlijke stukken of elementen, kortom analyse en synthese, die bestaat uit het samenstellen van stukken en elementen tot grotere complexen. De gestalttheorie nu gelooft een beslissend zakelijk punt voor het probleem te hebben ontdekt doordat ze inziet dat er samenhangen zijn, gegevenheden van een andere – formeel andere – aard. En dat niet alleen in de geesteswetenschappen. Je zou het grondprobleem van de gestalttheorie ongeveer als volgt kunnen formuleren: er bestaan samenhangen waarbij wat er in het geheel gebeurt niet het gevolg is van hoe de afzonderlijke stukken zijn en hoe ze samengesteld zijn, maar omgekeerd waar – in het pregnante geval – dat wat er met een deel van dit geheel gebeurt wordt bepaald door de innerlijke structuurwetten van dit geheel waar het deel van uitmaakt.’

Deze voorrang van het geheel boven de delen is ook de these van het zogenaamde ‘holisme’. Het is een vraag van een eigen orde hoe het komt dat het holistische denken tot op heden geen fundamentele invloed heeft kunnen uitoefenen op het wetenschappelijk denken, dat nog altijd in overheersende mate ‘mechanisch’ is, en mede daardoor mét de op haar gestoelde gestalttherapie in de alternatieve hoek is blijven hangen. Hoe dit ook zij, dit ‘holisme’ vormt een centraal onderdeel in het denkraam van de gestalttheorie en gestalttherapie. Het is daarbij ook therapeutisch wel van belang te benadrukken dat we de gestalte steeds zien ‘met het oog op’ een geheel, dat we als het ware door de brokstukken heen het geheel ‘viseren’, dat wij en onze cliënten er door de structuur, niet alleen van onze waarneming maar in een bredere zin van ons denken en voelen naar streven dat wat niet af, niet rond, niet heel is, af, rond en heel te maken. In die zin kunnen we dus niet zeggen dat de gestalte een geïntegreerd geheel is. Integendeel, doorgaans is de levende gestalte onaf, niet rond, niet heel, er zitten zoals Perls zegt ‘gaten’ in, maar de intentie is wel steeds gericht op het af, rond en heel maken, en in die zin, als intentie, staat het ‘geheel’ ons ergens steeds voor ogen. Dit is ook wat de gestalttheorie als optimistische leer aan de therapie meegeeft: dat ons organisme van zich uit op heelheid uit is, wat betekent dat wij niet als geneesheren een patiënt hoeven te helen, maar dat we alleen de eigen intentie van het organisme tot heling hoeven volgen en hoogstens moeten helpen bij het opruimen van barrières die dit natuurlijke proces in de weg staan.

Met dit nadenken over het primaat van de heelheid, die uiteindelijk ook het één-geheel-zijn van figuur én achtergrond alsook van het organisme én zijn omgeving betreft (veldtheorie), raken we steeds verder verwijderd van het woord Gestalt. Wat dat woord betreft laten we het voorlopig bij het bovenstaande.

 

Gestalt-therapie:

Ook als het woord Gestalt ons niet meer geheel vreemd in de oren klinkt, wekt de benaming gestalttherapienog bevreemding. We zijn gewend de gestalttherapie als een (alternatieve) vorm van psychotherapie te beschouwen. Zo wordt ze immers in het medische veld benaderd en gebruikt. En in zoverre Fritz Perls in Ego, Hunger and Agressionmet wat hij toen nog ‘concentratietherapie’ noemde uitdrukkelijk een ‘revisie’ van de psychoanalyse beoogde, valt daar ook veel voor te zeggen. De gestalttherapie is allereerst ontstaan als een kritische tak van de psychoanalyse, in zekere zin als de eerste ‘humanistische psychotherapie’ waarvan zich later weer allerlei stromingen hebben afgetakt. Ook Gestaltherapy: Excitement and Growth in the Human Personalityis voor een deel, zoals we zullen zien, een kritische discussie met Freud. Op één kritiekpunt kunnen we vanuit het bovenstaande citaat van Wertheimer al wijzen, als die schrijft dat de overheersende ‘mechanische’ denkwijze binnen de wetenschap allereerst bestaat uit ‘analyse’, het ontleden van een geheel in ‘stukken’ om dit vanuit die stukken weer op te bouwen (synthese). Dit woord ‘analyse’ zit ook in de ‘psychoanalyse’, die inderdaad de psyche uiteenlegt in zijn bestanddelen (bewustzijn en onbewustzijn, Es, Ich en Ueber-Ich enz.), waarbij allicht, in Wertheimers bewoording, ‘het levende van de zaak verloren ging’, te weten het ‘geheel’, heel de mens in relatie met zijn omgeving, zoals die alleen in concrete gedaante in het hier en nu ‘levend’ is, kortom dat wat het woord gestalte poogt uit te drukken.

Dit laatste nu duidt op een kritische notie in de term gestalttherapie die verder reikt dan een discussie tussen mogelijke psychotherapeutische stromingen. We horen die kritische notie wanneer we de gestalttherapie juist niet als een vorm van psychotherapie beschouwen, maar haar letterlijk nemen als therapie, niet van de psyche, maar inderdaad van de gestalte. Niet de psyche wordt in deze therapievorm therapeutisch behandeld, laat staan geanalyseerd, maar inderdaad de gestalte. Gestaltetherapie ressorteert dan niet onder het overkoepelende begrip ‘psychotherapie’, maar is een volstrekt eigen therapievorm, misschien wel omvattender dan elke psychotherapie, die naast andere therapievormen zoals fysiotherapie feitelijk al uitgaat van het opdelen van heel de mens in ‘stukken’, namelijk in lichaam en ziel enz. We zullen zien dat het opheffen van fundamentele metafysische onderscheidingen zoals die tussen lichaam en geest of lichaam en ziel een belangrijke inzet vormt in dit boek. En inderdaad wilde wat we breder de ‘gestaltbenadering’ kunnen noemen van meet af aan meer zijn dan een theoretische fundering van een nieuwe psychotherapeutische richting, gestaltetherapie geheten. ‘Gestalt’ was een ‘filosofie’, een bepaalde benadering van heel de werkelijkheid, een omvattende wereldvisie en mensvisie.

Maar wat betekent dat dan, therapie van de gestalte? Ben dan niet jij of ik met mijn of jouw psychische problemen ‘in therapie’, maar is de ‘gestalte’ in therapie? Inderdaad, zo moeten we het leren begrijpen, zo moeten we leren kijken. Natuurlijk zullen we blijven zeggen dat Jan of Marie in therapie komen en zullen we blijven vragen wat eraan schort, maar wat we eigenlijk ‘behandelen’, waar we samen met onze cliënten allereerst ‘gewaarzijn’ van proberen te ontwikkelen en waar vervolgens als vanzelf – inderdaad uit zichzelf – beweging in komt, is inderdaad de ‘gestalte’ zoals die zich aandient en ontwikkelt binnen de therapieruimte, in de ontmoeting tussen therapeut en cliënt vanuit alles wat deze primair lichamelijk met zich meedraagt. Gestaltetherapie is inderdaad therapie van de gestalte zoals die zich van moment tot moment aandient en ontvouwt, van een doffe gestalte in de richting van wat zich in die dofheid als mogelijk glansvolle gestalte verbergt, van de futloze gestalte naar de opwindende en energieke gestalte die ook de ergste futloosheid nooit helemaal aan het oog onttrekt, van de onaffe gestalte naar de heelheid waar dat onaffe qua intentie hoe dan ook naartoe wil. Daarmee komen we op het tweede woord in de titel:

 

Excitement: opwinding

Het eerste woord dat in de titel, naast ‘groei’, inhoud moet geven aan de benaming gestaltetherapie, is ‘excitement’, opwinding. Het is geen woord dat we meteen in de titel van een wetenschappelijk-theoretische verhandeling zouden verwachten. Het heeft iets plats, zeker als we het vergelijken met het academisch chique Latijnse libidowaar Freud zich van bedient als hij de seksuele energie als levensenergie wil benoemen. Maar juist dat platte, in zekere zin letterlijk ‘oppervlakkige’, Perlsiaanse, heeft ten opzichte van het haast occulte libidoook een voordeel, namelijk het voordeel van de zichtbaarheid. Excitement, opwinding kunnen we waarnemen, in de onrustige beweeglijkheid van een cliënt op zijn stoel, in de klank van zijn stem, in zijn neiging op te staan en iets te gaan doen (excito: oprichten, opwekken, in beweging brengen). Excitement, opwinding kunnen we ook in onszelf ervaren, anders dan de veel ongrijpbaarder libidoof Bergsons wijsgerige begrip élan vital, waarmee Perls het uitdrukkelijk in verband brengt (Vgl. F. Perls, ‘Four Lectures’, in: Gestalt Therapy Now, ed. J. Fagan en I. Shepherd, Penquin Books, 1970, p. 35 e.v.). Excitement, opwinding is met andere woorden een fenomenologisch begrip, een begrip dat beschrijft wat we kunnen waarnemen, wat we kunnen ervaren, waar we gewaarzijn van kunnen ontwikkelen. Dit in tegenstelling tot een theoretisch concept zoals libido, dat dient ter verklaring van waargenomen fenomenen, maar dat zelf niet waarneembaar is.

‘Excitement’ is dus Perls’ woord voor de fundamentele energie of levenskracht die Bergson élan vital, Wilhelm Reich orgoneen de Oosterse martiale kunsten Chinoemen, maar dan zonder de wat zweverige vaagheid die aan die begrippen kleeft, wat laag-bij-de-grondser zogezegd. ‘Ik noem het excitement omdat dit woord samenvalt met het fysiologische aspect, de excitatie,’ schrijft Perls op genoemde vindplaats. In zijn ‘primitieve, ongedifferentieerde vorm is emotie simpelweg opwinding, de verhoogde metabolische activiteit en verhoogde energiemobilisatie die het antwoord vormt van het organisme bij het ervaren van nieuwe of stimulerende situaties,’ lezen we in het praktische gedeelte van PHG (p. 95). Deze basale opwinding van het levende organisme wordt ervaren als ritme, vibratie, trilling, warmte enz. Zij bestaat niet voor zichzelf, als een of andere ongrijpbare energie, maar is er altijd alleen in relatie tot de wereld, en wordt daarin, zoals Perls elders schrijft (Gestalt Therapie Verbatim, Amsterdam 1973, p. 51), gedifferentieerd in de specifieke emoties, de ‘belangrijkste motoren van ons gedrag’: boosheid, vreugde, verdriet, die op hun beurt de spieren in beweging zetten.

De ‘opwinding’ kent net als het leven zelf (‘Excitement = leven = zijn’ schrijft Perls in zijn ‘Four Lectures’ in Gestalt Therapy Nowp. 35)) een golfkarakter, een klein beginnen en geleidelijk aanzwellen tot een hoogtepunt wordt bereikt en de opwinding weer wegsterft. De gestalttherapie beschrijft deze golfbeweging aan de hand van de zogenaamde ‘contactcyclus’, want ‘opwinding’ en ‘contact’ gaan hand in hand en is het sterks in de fase van ‘final contact’ (PHB 409). Dit alles is in zekere zin ‘obvious’, voor de hand liggend, maar dat is ook wat de gestaltetherapie wil zijn: een therapie van ‘the obvious’, van het voor de hand liggende, dat juist omdat het zo voor de hand ligt vaak over het hoofd wordt gezien, of waar geen aandacht aan wordt geschonken. Als gestaltetherapeuten schenken we steeds aandacht aan de opwinding als bron van energie en als teken van gestaltevorming, aan de opwinding zoals die zich fysiek manifesteert in de ademhaling, de doorbloeding van de huid, de motoriek enz, kortom aan de ‘excitatie’ zoals die met de gestaltevorming opkomt en weer wegzinkt.

Én zoals die op allerlei manieren en in allerlei stadia wordt onderdrukt. Want terwijl de opwinding zich differentieert in boosheid, vreugde of verdriet, bestaat er tussen de opwinding en de vierde basale emotie, de angst, een andersoortige nauwe relatie. Angst is geen differentiatie van de opwinding, maar als het ware de keerzijde ervan. Opwinding gaat met angst gepaard. Hoe groter de opwinding, hoe heviger de angst. Is de angst te groot, dan blokkeert ze de opwinding en stokt het proces van gestaltevorming. Voor zover opwinding altijd met een verhoogde ademhaling gepaard gaat, is deze onderbreking, deze interruptie van de opwinding tevens een stokken, een inhouden van de adem. Fysiologisch gezien is angst het vernauwen (angustia), het samentrekken van de borst als een manier waarop het organisme zich ertegen verweert de zuurstof te leveren die nodig is voor de opwinding. Angst ligt dus ten grondslag aan de interruptie, maar is ook een gevolg van de interruptie, waarbij de tweede als een angst voor de angst de eerste verdiept. Laura Perls heeft angst bovendien in verband gebracht met een gebrek aan (zelf)ondersteuning. Angst, zegt zij, is een poging contact te maken terwijl de essentiële steun daarvoor ontbreekt, en het gebrek aan zuurstof, waarmee angst doorgaans in verband wordt gebracht, is slechts een van de vormen van steun die kunnen ontbreken.

Opwinding en het proces van contact maken en gestaltevorming dat erdoor wordt aangedreven gaan dus altijd in meerdere of mindere mate met angst gepaard. De angst kan op elk stadium van het gestaltevormingsproces te groot worden, waardoor dit proces geblokkeerd raakt en de gestaltevorming wordt onderbroken. Dit zijn de zogenaamde ‘contactonderbrekingen’ of contactmodificaties waar we als gestaltetherapeuten bij onze cliënten op letten. (1) Wordt het proces al onderbroken nog voor er een figuur uit de confluente grond kan opduiken, roept met andere woorden het allereerste ‘oprijzen van iets’ vanuit de ongedifferentieerdheid al angst op, die dit ‘er verschijnt iets’ onmiddellijk tegenhoudt, dan spreken we van confluentie. Er gebeurt dan in zekere zin niets, dus is er ook geen opwinding. (2) Een volgende stap is dat er wel gewaarzijn is van een behoefte en een daarmee gepaard gaande opwinding. Ook dat kan angst oproepen, wat kan leiden tot het onderdrukken van die eigen behoefte en het inslikken van de behoefte van de ander alsof het mijn eigen behoefte is: introjectie. (3) Een volgende stap is dat de behoefte wel als een eigen behoefte wordt aanvaard, maar dat de opwinding van het zich keren naar de wereld, naar de mogelijkheden die deze biedt om de behoefte te bevredigen, angst oproept. De ‘botsing’ tussen het verlangen en de wereld die daaraan wel of niet beantwoordt, heet emotie: als het ‘past’ ontstaat plezier, zo niet frustratie of boosheid. De emotie, zoals gezegd de gedifferentieerde vorm van de eerst nog ongedifferentieerde opwinding, geeft dus informatie omtrent de staat van de omgeving, de situatie van het veld, en in hoeverre die past bij onze eigen staat. Deze emotie nu kan ook weer angst oproepen, En de manier om daarmee om te gaan, om die angst weg te maken, heet projectie: het toeschrijven van de eigen emotie aan de omgeving. (4) De vierde fase is die van het gaan naar het ‘niet mij’, het ‘agredere’. Ook die opwinding kan weer angst oproepen. Het antwoord daarop is retroflectie: in plaats van iets met de ander te doen, doe ik het met mezelf. (5) Dan de fase van ‘full contact’, het laten gaan, de spontaniteit. Ook dat kan angst oproepen. Het antwoord is egotisme.

 

Groei

Ook het woord ‘groei’ in de titel van een psychotherapieboek spreekt niet voor zich. We plaatsen de psychotherapie toch eerder in de medische hoek, als een vorm van genezen of helen of verhelpen van (psychische) klachten, dan in die van de pedagogiek of didactiek. Weliswaar berusten de meeste psychotherapievormen op een ontwikkelingspsychologie, waarin ook een verklaring wordt gezocht voor psychopathologie, als een ontwikkelingsstoornis in de gezonde groei naar volwassenheid. Op grond daarvan kun je psychotherapie aanmerken als het helpen om die ontwikkelingsstoornis met terugwerkende kracht op te heffen, zodat de volwassene, voor zover die infantiel is gebleven, zijn groei naar volwassenheid alsnog kan voortzetten. Zo bezien zit er in de psychotherapie altijd wel een opvoedkundig of groeiaspect. Maar daarmee is groei toch hooguit het indirecte doel van de therapie, voor zover die helpt opruimen wat groei in de weg zit. In de praktijk is het echter al mooi als een cliënt na de therapie weer in staat is zijn leven op te pakken en is een heuse groei vaak te hoog gegrepen. Zou het echt om groei gaan, om leren, om zelfontwikkeling, dan zou deze therapievorm ook niet in de medische hoek thuishoren en niet voor vergoeding door de ziektekostenverzekering in aanmerking komen.

Maar is dat met de gestaltetherapie niet inderdaad het geval? Draait het in de gestaltetherapie inderdaad niet eerder om groei, om wat met een modewoord uit de jaren zeventig ‘zelfontplooiing’ heette, dan om ‘therapie’ als een behandelmethode voor psychische klachten? Weliswaar wilde de gestaltetherapie, toen nog ‘concentratietherapie’ geheten, met de eersteling van Fritz en Laura Perls uitdrukkelijk een ‘revisie’ zijn van de psychoanalyse, maar met de inbreng van Paul Goodman en met de maatschappelijke ontwikkelingen in de jaren zestig en zeventig nam zij steeds meer afstand van het medische model van dokter en patiënt. Gestaltetherapie werd modieus binnen allerlei encounter-achtige groepen waarin het inderdaad eerder ging om persoonlijke groei, om veranderingsprocessen, om sensitivity-achtige trainingen, om leren en opdoen van ‘ervaring’ dan om therapie in engere zin. Deze toenemende nadruk op persoonlijke groei in plaats van therapie blijkt onomwonden in Perls’ ‘Author’s note’ bij Gestalttherapy: Excitement and Growth in the Human Personalityuit 1969. Perls merkt daar op: ‘The overall accent, however, has changed from the idea of therapy to a gestalt concept of growth,’ ‘in grote lijnen is het accent is verschoven van het idee van therapie naar een gestalteconcept van groei’.

Wat is dat, een ‘gestalteconcept’ van groei? Het eerste wat opvalt in de gestalteliteratuur is de bijna biologische benadering van het begrip groei. ‘Het organisme groeit door van de omgeving op te nemen wat het puur voor zijn groei nodig heeft.’ (PHG, p. viii) Weliswaar is de hele eetmetafoor die Perls vooral in Ego, Hunger and Agressionheeft uitgewerkt inderdaad een metafoor en spreekt hij daar van een ‘mentaal metabolisme’, maar het blijft, ook in PHG, een ‘organismische’ benadering, waarbij de psychische of geestelijke groei wordt uitgedrukt in aan de stofwisseling ontleende termen als ‘assimilatie’ en ‘excretie’. Dit doelbewuste gebruik van op het lichamelijke metabolisme geënte concepten is niet zonder kritische retoriek. Van oudsher en tot in de huidige opvoeding en het huidige onderwijssysteem is psychische en geestelijke groei immers eerder opgevat als een afzet tegen of op zijn minst uitstijgen boven het puur fysieke, als een zich losmaken van het lichaam; cultuur ligt niet in het verlengde van natuur, maar is zogezegd tegen-natuurlijk, is beheersing van de natuur, zoals arbeid wordt gedefinieerd als omvorming van de natuur. Deze tweedeling van natuur en cultuur is een van de metafysische dualismes waartegen de gestaltetherapie zich vanuit zijn holistische aard verzet. Daarbij dreigt ze echter soms terug te vallen in een naturalisme àla Rousseau, in een naïef geloof in ‘natuurlijke processen’, uitgedrukt in een begrip als ‘organismische zelfregulering’, die dan puur door maatschappelijke invloeden zouden worden gefnuikt. Als Perls bijvoorbeeld in de eerder genoemde noot schrijft dat de ‘deep split between our biological and our social existence leads to more and more conflicts and “holes”’, dan kan dat gemakkelijk in het verlengde worden gelezen van de beroemde eerste zin van Rousseaus Du Contrat Social: ‘De mens wordt vrij geboren maar overal ligt hij in ketenen,’ en zo keek men in de rousseauistische jaren zestig en zeventig ook tegen de zaak aan. ‘Groei’ werd in het verlengde daarvan voornamelijk opgevat als een natuurlijk proces, als iets waar het menselijk ‘organisme’ van zich uit naar streeft, zoals een plant ongehinderd naar het licht toe groeit. En therapie draaide dan ook, in aansluiting bij de maatschappijkritiek uit die tijd, voornamelijk om het opruimen of zich bevrijden van vooral sociale hindernissen die de groei zouden belemmeren.

Toch legt deze door maatschappijkritiek gevoede kijk op natuur en cultuur en in verband daarmee op groei een eenzijdige nadruk op natuurlijkheid die in PHGniet direct was geïmpliceerd. In dit boek is het concept van groei veel formeler bepaald. Vanuit het concept van de ‘contactgrens’ als ‘het orgaan van een specifieke relatie tussen het organisme en de omgeving’ wordt ‘groei’ bepaald als deze ‘specifieke relatie’ (PHG, 229), waarbij dus in eerste instantie niets wordt gezegd over de aard van die omgeving. Groei vindt plaats door uitwisseling op de contactgrens, in oorsprong de huid, en is als zodanig een fenomeen van wat het hele ‘organisme/omgeving-veld’ wordt genoemd. Deze bepaling van groei is even vanzelfsprekend als basaal. De implicaties ervan zullen in het theoretische boek als geheel onder de titel ‘Het nieuwe, opwinding en groei’ verder worden uitgewerkt.

In een gestalteconcept van groei wordt deze voorts in verband gebracht met ‘heling’ respectievelijk heelheid. Daar komt ook het aspect van ‘therapie’ als een vorm van heelkunde weer om de hoek kijken en kan bovenstaande twijfel of we wel van therapie moeten blijven spreken worden gerelativeerd. Groei is met het oog op de gestalte alleen mogelijk vanuit zoiets als heelheid. De gestalte neigt naar heelheid, naar afronding, naar voltooiing. Alleen de afgeronde, voltooide en daarmee ook heldere gestalte kan worden geïntegreerd en vervolgens losgelaten, waardoor ruimte komt voor een nieuwe gestaltevorming. Dat proces van opkomen, afronden en weer loslaten van telkens nieuwe gestalten is het groeiproces. Worden gestalten niet afgerond, niet voltooid, dan spreekt de gestaltetherapie van onaffe gestalten of onvoltooide taken, die om aandacht blijven vragen en de mogelijke opkomst van nieuwe gestalten in de weg zitten. Dan stokt het groeiproces. Dat is hoe de gestaltetherapie tegen pathologie aankijkt. Hoe dit hele proces, ook gestalteformatieproces genoemd, plaatsvindt en hoe het op allerlei manieren wordt onderbroken, zal in het vervolg uitgebreid aan de orde komen.

Hier blijkt, tussen haakjes, dat de gestaltetherapie, als ze in navolging van de gestaltpsychologie de neiging of intentie van de gestalte om heel of rond te worden als basale eigenschap benadrukt, een teleologische benadering opneemt die typerend was voor het denken van Aristoteles, maar die de moderne wetenschap achter zich meent te hebben gelaten. De moderne wetenschap accepteert van de vier causaeof oorzaken die Aristoteles onderscheidt – causa efficiens, causa formalis, causa materialis en causa finalis – alleen de causa efficiens, de bewegende oorzaak of werkoorzaak, wat leidt tot mechanistische verklaringen, terwijl voor Aristoteles zelf in het licht van het leven de causa finalis of doeloorzaak uiteindelijk het belangrijkst was. Alleen van daaruit, vanuit het streven, wat ook bij Aristoteles een streven naar afronding, naar voltooiing of zelfvervulling (entelechie als een doel in zichzelf) is, kan het leven en de daaraan inherente groei naar in aanleg gegeven vormen begrepen worden. Bovendien ligt in dit streven naar heelheid als een psychisch of vitaal basisgegeven ook besloten dat die heelheid iets is wat voorafgaat, iets waar de beweging a priori op gericht is, wat dus geen optelsom (a posteriori) kan zijn van de delen. We zien hier dus het basale gestaltepsychologische inzicht opdoemen dat ‘het geheel meer c.q. anders is dan en voorafgaat aan de som der delen’. Niet voor niets heeft Paul Goodman Aristoteles de eerste gestaltepsycholoog genoemd, en het zou voor de theorie van de gestaltetherapie vruchtbaar kunnen zijn haar aristotelische basis eens uit te diepen.

 

‘… van de menselijke persoonlijkheid.’

Deze laatste twee woorden in de titel zijn wederom niet erg fraai. Het klinkt als een pleonasme, in zoverre we het woord ‘persoonlijkheid’ – behoudens in een extreme zin voor God – toch uitsluitend gebruiken als we over mensen spreken. Daarbij verbaast het ‘menselijk’ in de titel ook in zoverre dat de hoofdtekst zelf geen nadruk legt op het ‘humane’ of ‘menselijke’ en eerder in een pseudo-biologische taal praat over ‘organisme’, of anders over individu of persoon. Wat dat aangaat kan deze revisie van de psychoanalyse ook niet meteen als een ‘humanistische psychotherapie’ worden aangemerkt.

Ook het woord ‘persoonlijkheid’ in de titel, als dat wat groeit of waarin groei plaatsvindt, wekt in eerste instantie verbazing. Gaat het in de gestaltetherapie om het opbouwen van een ‘persoonlijkheid’? Dat lijkt in strijd met de soms bijna negatieve bepalingen die Goodman in zijn ‘theorie van het zelf’ geeft aan de persoonlijkheid. De persoonlijkheid lijkt bij hem vaak eerder een rem dan een steun voor het ‘zelf’, een zelfbeeld dat ons ‘zelf’ vooral in de weg zit en dat zich uitdrukt in starre gedragspatronen en karakterstructuren. ‘In ideale omstandigheden heeft het zelf niet veel persoonlijkheid,’ schrijft Goodman op p. 427. Deze eerder negatieve kijk op de persoonlijkheid als starre neerslag van het leven die de levensstroom remt (de Tao is ‘als water’, schrijft Goodman) spreekt ook uit de Griekse betekenis van persona: masker. Psychotherapie lijkt er zo bezien eerder op gericht de ‘persona’, het masker af te leggen dan op te bouwen. Als we in termen van de theorie van het zelf al een doel van de psychotherapie kunnen formuleren, zijn we eerder geneigd te zeggen dat het erom gaat het ego te versterken, of misschien ook om de cliënt allereerst in contact te brengen met zijn of haar ‘gevoel’ (id), dan om als ‘persoon’ te groeien.

Anderzijds is de persoonlijkheid het enige waarbij het zin heeft van groei te spreken. Door alle gestaltformatieprocessen heen is het immers de persoonlijkheid die wordt opgebouwd. ‘The aftermath of creative social contact is the formation of personality,’ schrijft Goodman op p. 423. Als de zogenaamde ‘contactcirkel’ zonder onderbreking is doorlopen en het nieuwe in het zelf is geassimileerd, betekent dat een ‘zekere’ groei van de persoonlijkheid, hoe klein ook (‘The increment of growth and learning, after good contact, is certain, but small,’ staat op p. 427).

Zo lijkt de houding van Goodman c.s. tegenover de ‘persoonlijkheid’ dubbel – we komen daar zeker nog op terug. Maar de titel spreekt inderdaad ook niet van groei ‘van’ maar van groei ‘in’ de persoonlijkheid. En dat betekent misschien wel eerder een afbraak dan een opbouw van zogenaamde persoonlijkheidskenmerken of karaktertrekken.

 

Gestalttherapy, volume II: Novelty, Excitement and Growth.

Het door Paul Goodman geschreven theoretische deel van Gestalttherapy…is getiteld Novelty, Excitement and Growth. We zien hier de opwinding en de groei nogmaals benadrukt, nu voorafgegaan door het woord ‘novelty’, nieuwigheid, iets nieuws. Wat opwinding veroorzaakt en in contact met dit opwindende tot groei leidt – of door het verbreken van het contact omdat het opwindende te veel angst oproept tot stagnatie of verstarring – is telkens iets nieuws. Dit kan van alles zijn. Nieuwheid en opwinding zijn twee kanten van dezelfde medaille. Alleen iets nieuws roept de spanning van de opwinding op. En alleen een nieuwe ervaring kan tot groei leiden. Dit maakt weer deel uit van het ‘voor de hand liggende’ dat deze theorie tracht te beschrijven. Duidelijk is in elk geval dat de gestaltetherapie zich met deze nadruk op het nieuwe en op groei inschrijft in een maatschappelijke stroming die eerder als progressief dan als conservatief moet worden aangemerkt.

 



[1]In mijn Op één been kun je niet staan: een verkenning van de ge-sta-therapieneem ik dit ‘staan’ zo letterlijk dat ik de gestaltbenadering in verband kan brengen met een Chinese martiale kunst van staande Chi Kung.

[2]De hele zin van het ‘stellen’ en het ‘gestel’ kan veel verder worden uitgediept vanuit de filosofie van Martin Heidegger, die de hele traditie van het westerse denken schaart onder de noemer van het voor-stellende denken en die het woord ‘Gestel’ in zijn late filosofie hanteert als samenstel van alle vormen van ‘stellen’.





Reacties zijn gesloten.